Achter de grote mond schuilt veel verdriet
Joke Walle, 78 jaar en voor velen bekend als de toiletjuffrouw uit Oh Oh Den Haag, laat in een openhartig gesprek zien dat er achter haar scherpe tong een zwaar verleden zit. In het blad Story vertelde ze zonder omwegen over wat haar heeft gevormd. Je ziet haar op tv vaak als die directe Haagse vrouw die niemand spaart, maar haar leven werd getekend door verlies en rouw.
Bekend op de Haagse markt
Wie de Haagse markt bezoekt, heeft haar vast weleens gezien: vier dagen per week houdt ze de wacht bij het toiletgebouw, dat ze zelf gekscherend haar ‘schijthuis’ noemt. Vloeken als iemand er een bende van maakt? Dat hoort bij haar imago, zegt ze. Ze spreekt mensen recht in hun gezicht aan, zonder een blad voor de mond. Juist die eerlijkheid leverde haar bekendheid en een schare fans op die met haar op de foto willen.
Toch benadrukt Joke dat wat je op tv ziet, maar een deel van haar is. Ze heeft ook een zachte kant, zegt ze, eentje die je niet snel in beeld krijgt. Zo deelt ze royaal uit aan goede doelen en kinderen die het thuis minder hebben. Dat ze soms als asociaal wordt neergezet, begrijpt ze ergens—televisie kiest nu eenmaal de opvallendste momenten—maar ze wil wel laten weten dat er meer schuilt achter de grove grappen.

Werken om de stilte te verdrijven
Dat ze nog altijd zo veel werkt, is geen toeval. Thuis is het te stil, en die stilte weegt zwaar. Werken tussen de kraampjes, klanten en collega’s houdt haar hoofd bezig. In de drukte voelt ze zich minder alleen; de leegte kruipt pas naar binnen als de deur achter haar dichtvalt. Door bezig te blijven, geeft ze haar gedachten minder ruimte om met haar aan de haal te gaan.
Een moeder die twee kinderen verloor
Het grootste litteken draagt ze als moeder. Haar dochter werd dood geboren, in een tijd waarin een overleden baby vaak meteen werd weggenomen. Afscheid nemen was nauwelijks mogelijk, foto’s zijn er niet. Dat gemis is nog altijd voelbaar. Jaren later overleed haar zoon Riny op 24-jarige leeftijd aan een longembolie, totaal onverwacht. Hij woonde op zichzelf, maar kwam bijna elke dag langs. Bij haar voelde hij zich het meest thuis; hun band was sterk.
Volgens Joke bestaat er geen groter verdriet dan je kinderen verliezen. De pijn slijt niet, ze verandert alleen van vorm. Ze is er op de achtergrond, altijd.
Een dagelijks gebed zonder geloof
Hoewel ze zichzelf niet gelovig noemt, bidt ze elke avond bij de foto van Riny. Ze vraagt God dan simpelweg of er goed voor haar kinderen gezorgd wordt. Voor haar dochter heeft ze geen beeld om naar te kijken; dat maakt het ritueel des te brozer. Toch geeft dit moment van stilte haar rust voor het slapen. Het is haar manier om de herinnering levend te houden en even nabijheid te voelen.
De klap voor haar man
Het verlies trof ook haar man keihard. Hij kon de pijn niet dragen en zocht verdoving in de fles. Volgens Joke dronk hij zichzelf langzaam kapot. Vijftien jaar geleden overleed hij, na een lange strijd met alcohol. Ze begrijpt waarom hij wegzonk, maar toekijken hoe iemand afglijdt is een eigen soort rouw. Verdriet kan mensen verbinden, maar het kan ook uit elkaar drijven.
Toen het echt te donker werd
Twintig jaar geleden bereikte Joke zelf een dieptepunt. Ze sprong uit het raam van haar woning op de eerste verdieping. Wonderlijk genoeg brak ze niets, al ging haar rug er wel blijvend op achteruit. Ze zegt weleens dat het blijkbaar nog niet haar tijd was. Die dag staat in haar geheugen gegrift als bewijs van hoe donker het kan worden als hoop even niet te vinden is.
Verdergaan tussen de marktkramen
En toch zit ze er nog steeds: werkend, mopperend, lachend. Achter haar stevige buitenkant schuilt een vrouw die te veel heeft meegemaakt, maar weigert stil te vallen. Door te blijven bewegen en onder de mensen te zijn, geeft ze het gemis minder ruimte. Tussen de kramen vindt ze afleiding, gesprekken en soms zelfs een onverwarmd beetje warmte. Het herinnert je eraan dat wat je op televisie ziet, zelden het hele verhaal is. Achter humor en grof taalgebruik kan een hart schuilgaan dat veel heeft gedragen—en nog altijd klopt.













